Je kunt beter je geheugen niet al te veel geloven
‘Wie ben ik?’ Het is een vraag die ons allen wellicht in vlagen blijft overvallen. Maar anders dan in mijn vroege levensjaren, waar ik in mezelf bleef wroeten wanneer ik met existentiële levensvragen worstelde, leidt mijn zoektocht me naar het verleden.
Het is intussen 21 jaar dat mijn vader overleed. 21 jaar. Zijn dood is volwassen. Ik vraag me vaak af hoe hij tegen de wereld zou aankijken. Hij zou bang zijn en pessimistisch. Dat is hij altijd geweest. Maar ooit was hij een man die ons alle kansen wilde geven. Ook al omdat hij er zelf veel te weinig had gekregen.
Hij was heel gesloten. Had moeite om over zichzelf te praten. Het was geen kwestie van niet willen, maar wel van niet kunnen. Zoals Sylvia Plath schreef in ‘The Bell Jar': “Het is een vreselijke gevangenis: alles binnenin voelen, maar de deur naar buiten niet kunnen vinden.” Was mijn vader ouder geworden had hij misschien ooit wel die deur gevonden. Of had iemand anders aan de buitenkant kunnen openduwen.
Tegenwoordig ben ik een paar uur per dag aan het lezen. Ik verslind kranten en tijdschriften, neem veel te veel berichten op sociale media tot mij en ik probeer minstens één boek per maand te lezen. Liefst wat meer. Meestal fictie. Ook al omdat daar vaak de thema’s aangeraakt worden die we in realiteit zouden moeten behandelen. Twee jaar geleden nam Tinneke Beeckman in haar filosofisch reflectieboek ‘Ken Jezelf’ haar toevlucht tot de wereldliteratuur om ons de weg te wijzen hoe we ons eigen intieme en persoonlijke leven beter kunnen begrijpen. Het boek helpt ook bij het zoeken naar de juiste vragen die ik de mensen tijdens een interviewsessie voor Udocu wil stellen.
De laatste tijd betrap ik me erop dat er in ieder boek wel iets te vinden is wat bij Udocu van pas komt. Op zich niet verwonderlijk, want uiteindelijk gaat Udocu net als de meeste literatuur over het leven. Vaak draait het rond mensen die niet kunnen praten. Waardoor er een raadsel dient te worden opgelost. Of de persoon die de antwoorden zou kunnen geven, is er niet meer. En dan blijkt hoe vaak het geheugen tekortschiet.
Eén van de boeken die ik deze vakantie las, was ‘Vertrekpunt’ van Julian Barnes. Eigenlijk was ik niet al te zeer onder de indruk van diens verhaal, maar ik bleef lezen doordat hij nogal bezig was met wat ons geheugen met ons doet. En hoe we voortdurend geconfronteerd worden met IAM’s (involuntary autobiographical memories) onwillekeurige autobiografische herinneringen. Eigenlijk word je voortdurend bestookt met een stortvloed aan herinneringen, zegt hij: “een lawine van gebeurtenissen uit het verleden raast over je beleving van het heden heen en scheurt je hele zelfbesef aan flarden”. Niet iedereen ziet zoveel beelden passeren, dat komt in fasen. Vooral wanneer je je eigen leven in vraag gaat stellen, durft je geheugen je al eens antwoorden te verschaffen die weinig met de realiteit vandoen hebben. Niet dat je geheugen liegt, maar het slaat geen feiten op. Daar herinnert Barnes ons ook aan: “Onder een herinnering verstaan we immers normaal gesproken iets waaraan we in de loop van ons leven met enige regelmaat terugdenken en wat bij elke keer dat we het oprakelen een beetje muteert, zodat het uiteindelijk stolt tot een versie waarvan we ons wijsmaken dat het de waarheid is.” Dat je je geheugen best niet al te veel vertrouwt, komt vaak in boeken ter sprake. In het geweldige ‘Max, Mischa & Het Tet-offensief’ bestempelt Johan Harstad het geheugen als “een archief met onbetrouwbare medewerkers” en Cees Nooteboom had het dan weer over “een hond die gaat liggen waar hij wil”.

Ik begin op een leeftijd te komen dat er verhoudingsgewijs meer overlijdensberichten in de bus vallen dan geboortekaartjes. Wanneer een vriend overlijdt die ik lang niet heb gezien, komen de beelden van vroeger niet zomaar op bestelling. Barnes zegt letterlijk in ‘Vertrekpunt’: ‘ik wil me mijn moeder beter herinneren’. Eigenlijk zou je moeten kunnen terugscrollen in je geheugen. Dat je mooie dagen van vroeger gewoon zou kunnen terugzien. Wie was je als tiener, twintiger, dertiger… enzovoort? Ik denk dat ik het weet, maar ik heb geen zekerheid. Ik betrap er mijn geheugen – en ook dat van mensen om me heen – alsmaar vaker op dat het me beliegt. Oude brieven of kranten vertellen me een versie van feiten die heel anders is dan wat er in onze hoofden zit opgeslagen.
Ik zeg niet dat mijn en jouw geheugen uit leugens bestaat, maar het is een kaas waar er alsmaar meer gaten in komen te zitten. Daarom ook dat ik met Udocu de essentie tracht te vangen van de persoon die voor de camera’s zit. Het maakt niet uit wie voor me zit. Ik help een externe externe harde schijf aan te leggen voor je die een geheugensteuntje kan zijn. Misschien kan wat je vertelt in Udocu jou later herinneren aan feiten, gedachten, uitspraken die je memorie blijkbaar niet de moeite vond om ze op te slaan. Barnes haalt in zijn boek ‘A Sketch of the Past’ aan, een essay van Virginia Woolf die zegt dat “ik veronderstel dat mijn geheugen me aanreikt wat ik vergeten ben. Bij bepaalde stemmingen die zich daartoe lenen, komen herinneringen – dingen die je vergeten bent – naar de oppervlakte.”
Je krijgt dus niet zomaar de herinneringen aangereikt als je die zou willen. En Virginia Woolf hoopte dat daar ooit een oplossing voor zou komen. Ze wist nog niet van Udocu af. Ze droomde dat er ooit een apparaat zou worden uitgevonden waarmee we onze herinneringen zouden kunnen aftappen: “In plaats van me lukraak een tafereel of geluid te herinneren, zal ik een stekker in de muur steken en naar het verleden luisteren. Ik zal augustus 1890 oproepen. Ik heb het idee dat een sterke emotie haar sporen moet nalaten; en nu gaat het er alleen nog om dat we ontdekken hoe we ons daar opnieuw mee in verbinding kunnen stellen, zodat we ons leven weer van voren af aan kunnen beleven.” Wel, met Udocu kan je een schatkamer aanleggen waar jij en je geliefden vroeg of laat in zullen kunnen graaien. Misschien vind je oot in een Udocu-reportage van jou of één van je geliefden de antwoorden op de vragen die het leven je stelt.

